Suriname is zoals bekend een land met uiteenlopende etnische bevolkingsgroepen. Een van de uitvloeisels daarvan is het groot aantal verschillende godsdiensten en kerken. En waarvoor Suriname veelal terecht geprezen wordt is de onderlinge verdraagzaamheid waarmee die godsdiensten en kerken met en naast elkaar leven. Een punt dat ik minder kan waarderen is de overdreven manier waarop de godsdient en geloof maar al te dikwijls te pas en te onpas in het dagelijks leven wordt betrokken, dit dan voornamelijk door christenen, van welke denominatie dan ook. Tijdens het koloniale bewind is het geloof in God er zozeer ingestampt, dat het nog in geen eeuwen uit ‘s mensen doen en laten is weg te denken.
Maar het kan je ook wel eens gaan tegenstaan, zeker zodra de plaatselijk pers nadrukkelijke standpunten inzake geloof gaat innemen en als het ware zieltjes gaat winnen. Neem bijvoorbeeld De West, die nu al maanden (jaren?) achtereen op zijn pagina “Gospel” (was evangelie niet goed genoeg?) een vaste rubriek heeft, getiteld “Levensvragen”, van de hand van ene Thomas Prah, president en oprichter van Elim International Bible Institute (nooit eerder van gehoord). Inmiddels is de rubriek mij al aardig gaan tegenstaan en kan ik het trouwhartige gezicht (dat wel) van Prah niet meer zien: allemaal vooroordeel.
Gister echter werd zijns ondanks mijn blik getrokken naar de naast zijn foto afgedrukte tekst, en toen bleek dat mijn vooroordeel niet eens ongerechtvaardigd was. Hier geeft hij twee definities van geloof:
a) Hebreeën 11:1 geeft aan wat geloof is: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet.” — dus geloof is de kern of het fundament voor de dingen die men hoopt – een houding van vertrouwen naar God toe.
b) Hebreeën 11:6 vertelt ons wat geloof doet en gelooft. “Maar zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat, en een beloner is van hen die Hem ernstig zoeken.”
Met de vraag “Wat is nu ‘Christelijk Geloof’?” concludeert Prah:
1) Geloof is een onbetwijfelbaar vertrouwen in God.
2) Geloof is weten dat hetgeen je hoopt zal geschieden.
3) Geloof is nederig zijn en toch vol vertrouwen je schreden zetten in het leven.
4) Geloof is geloven wat God zegt wanneer Hij u een belofte doet.
5) Geloof is “het bewijs van dingen die men niet ziet”.
6) Geloof beschouwt “God zegt dat het zal geschieden” als een bestaand bewijs.
7) Geloof ziet het bewijs waar de wereld het niet kan zien.
Het 8e en laatste punt: Geloof gelooft dat God bestaat en toegankelijk is.
Behalve dat ik het knap vind dat Prah uit die twee kleine verzen van Hebreeën bovenstaande acht stellingen heeft kunnen destilleren, vind ik het inhoudelijk grotendeels onzin. Wat moet ik aan met: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet”, al staat het dan ook in Hebreeën? Hoe in godsnaam is dit te vertalen als “Geloof is weten dat hetgeen je hoopt zal geschieden.” Hoe kun je geloof (=iets abstracts), als bewijs (=iets concreets), aanvoeren? Etcetera.
Volgens mij moeten Prah en De West zich maar eens goed gaan bezinnen waarmee ze bezig zijn. Voor Prah is het kennelijk zijn levenstaak en -onderhoud, het zij hem vergund, maar wat de insteek is van De West is mij volledig onduidelijk, misplaatste zendingsdrift of bladvulling? Ik vrees het eerste. En Findlay moet die rubriek in ieder geval wekelijks gaan controleren op ‘onzin’, want duidelijk is niet alles wat ‘the reverend’ zegt juist.

Stanley Li A Pau Website