Nadat ik gisteravond mijn post Saramaccaanse tradities versus christelijk geloof versus zelfbeschikking had gepubliceerd kwam ik vanmorgen in de Ware Tijd een ingezonden brief tegen van Bert Eersteling onde de titel “De begrafeniscase Jabini”. Zeer leerrijk, al was het maar omdat het blijkt te gaan om ene Jabini, terwijl ik had aangenomen uit verwarrende krantenberichten dat de man Abini zou hebben geheten. Mijn excuus daarvoor.
Eersteling begint aldus: “De rechtelijke uitspraak in de begrafeniscase van de familie Jabini moet tegen de achtergrond van de cultuur in de casus van de Saramaccaners als een absoluut afkeuringswaardige dwaling worden gezien. Met deze uitspraak heeft het Surinaamse recht, dat regelrecht afstamt van het Nederlandse recht, overduidelijk getoond dat alle andere rechtsbeginselen en cultuuruitingen die een andere dan een eurocentrische oorsprong hebben inferieur zijn.” Correctie heer Eersteling, slechts is aangetoond dat het Surinaams recht een afgeleide is van het Nederlands recht, maar dat wisten we al. Dat alle andere rechtsbeginselen en cultuuruitingen inferieur zouden zijn is hier op geen enkele manier uit af te leiden, dat is duidelijk aan uw eigen brein ontsproten. Behalve dat het slecht taalgebruik is, is het dus ook een onjuiste redenering.
Vervolgens start Eersteling een college over het denkkader van de Surinaamse magistratuur en deszelfs indoctrinatie, over enculturatie (hij schrijft ‘entculturatie’), de duurzaamheid van het kolonialisme en de fundamentele en structurele schade aan de authentieke Surinaamse culturen en daar buiten (is hiermee Indonesië bedoeld?) om tot de conclusie te komen: “Door de indoctrinatie als voornoemd denken velen binnen onze gemeenschap dat de praxis over dit soort vraagstukken normaal is. In werkelijkheid betekent dit een evidente ontkenning van denken en handelen volgens het eurocentrische paradigma.”
Daarna zegt hij te beginnen met zijn ‘case’ zonder zich te realiseren dat hij opnieuw college gaat geven, nu over familieband-binding, matrilineaire benadering, patriarchale lijnbenadering, waarop hij verder niet wil ingaan, maar waarover hij toch nog kwijt moet: “De redenering dat de biologische vader soms een andere man kan zijn dan de aangewezen vader, moet denk ik, reden zijn geweest voor stammen in met name West-Afrika om de moederlijnbenadering als bepalende factor te hanteren voor wat de familierelatie betreft. De kinderen van de overleden heer Jabini behoren per definitie tot een andere matriliniaire eenheid of populair gezegd afbakening.”
En dan Eersteling’s case: “De kinderen van de overleden heer Jabini behoren per definitie tot een andere matriliniaire eenheid of populair gezegd afbakening. De vrouw en de kinderen zullen, neem het van mij aan, zeker verkwalijkt worden door hun overige familie van de moederlijn. Je kan en mag niet binnen dit soort niet op westerse leest georganiseerde samenleving handelen tegen de eeuwen oude gewoonte. Processen zullen zelf bewerkstelligen dat adaptatie in gewoonten optreden. Ik spreek nog niet eens over zaken die zich in spirituele sfeer zullen voltrekken voor lange tijden.”
Waarna hij vervolgt: “En dan iets over de deskundigen die door de rechter geconsulteerd zijn geworden in deze case. Het gaat volgens mijn bron om de gaaman van de Saramaccaners en de pas benoemde districtscommissaris van Sipaliwini-zuid, die ook lid van de Saramaccaanse stam is. Beide heren kennen de traditie van de Saramaccaners beter dan ik en weten dus wat de gevolgen van hun bijdrage in deze zeer tere aangelegenheid voor het stamgebied kan impliceren. Dat de gaaman toestemming zou hebben gegeven aan de vrouw en kinderen om hun man en vader te Nazareth ter aarde te bestellen wekt bij mij zeer grote bevreemding op. Dat de hoogste cultuurdrager binnen het saramaccaanse stamgebied tot deze zeer afwijkende toestemming komt, is voor wat mij betreft haast ondenkbaar. De advocaat van de familie Jabini (kenner van de bosneger cultuur) wijst terecht erop dat de gaaman kon volstaan met een advies. Ik voeg hieraan toe dat de gaaman het voorstel tot comparitie van partijen kon doen aan de rechter.”
Hier komt dus de aap uit de mouw: niet de rechter heeft ‘een fout’ begaan, maar de gaaman en de districtscomnmissaris, wier kennis van en begrip voor de saramaccaanse cultuur Eersteling hun niet kan ontzeggen. Het enige punt waarin ik Eersteling gelijk geef is, dat of de gaaman of de rechter comparitie van partijen had kunnen voorstellen. Kortom, zijn aanval op de Surinaamse magistratuur is volledig misplaatst.
Tot slot twee adviezen aan Eersteling: 1) bezint eer gij begint, en 2) let in godsnaam wat meer op taalgebruik, want zoals hier gehanteerd is het moeizaam lezen en een op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling nog als directeur werkzame academicus onwaardig, er zijn er tenslotte voor minder weggestuurd.
Desiré Dieudonne @Twitter ID Website